Voorzitter MIVB: “Greenpeace-studie over openbaar vervoer in hoofdstad simplistisch en ongegrond”

Donderdag 31 mei 2018 — De Greenpeace-studie die Brussel een slechte score geeft voor zachte mobiliteit (openbaar vervoer, fiets, te voet) baseert zich op niet-pertinente, foutieve of verouderde gegevens. Dat zegt Thomas Ryckalts, voorzitter van de raad van bestuur van de MIVB. “De studie vergelijkt appelen met peren. Daaruit concluderen dat Brussel slecht openbaar vervoer heeft, is kort door de bocht.”

Greenpeace stelde afgelopen week de studie “LIVING. MOVING. BREATHING: Ranking of European Cities in Sustainable Transport” voor. Daarin bengelt Brussel achteraan in vergelijking met andere Europese grootsteden op vlak van openbaar vervoer.

Thomas Ryckalts, voorzitter van de raad van bestuur van de MIVB, las deze studie met veel interesse en stelt vast dat de vergelijkingen weinig pertinent zijn, simplistisch of zelfs totaal foutief.

Steden kunnen sterk verschillen op het vlak van topografie (zoals hoogteverschil) en de bestuurlijke indeling. Daarom is het belangrijk om alleen gelijkaardige steden te vergelijken, wat in deze studie niet het geval is.

Bovendien hechten de onderzoekers in hun berekening ook twee keer zoveel waarde aan fietsen als aan het openbaar vervoer, en twee keer zoveel waarde aan de fiets ten opzichte van voetgangers. Daarom is het ook niet vreemd dat op de algemene ranking een vlakke stad, waar veel gefietst wordt, bovenaan staat.

Ranking openbaar vervoer

Zo baseert de studie zich op cijfers voor het Brusselse gewest uit 2005, 2008 en 2011. Voor andere steden gaat het om veel recentere cijfers uit 2016 en 2017. Dat terwijl de rittenaantallen van het openbaar vervoer in Brussel er tussen 2011 en 2017 met 21% op vooruitgingen. Dat betekent dat de studie van Greenpeace zich baseert op verouderde cijfers.

Voor de tarieven van het openbaar vervoer scoort de MIVB op zich relatief goed in de Greenpeace-studie met een zesde plaats op dertien steden. Toch wordt ook hier alleen naar de prijs gekeken van een 1-ritkaart en niet naar de rest van de tariefstructuur en de abonnementen. Dat betekent dat Greenpeace zich baseert op onvolledige gegevens.

Ten slotte scoort Brussel slecht in de Greenpeace-studie (twaalfde op dertien steden) waar het gaat om het aantal haltes in proportie tot de oppervlakte van het gewest. Maar de studie houdt geen rekening met het aantal keren dat een halte wordt bediend of met de vele groene zones/parken die Brussel typeren en waar geen halte (nodig) is. Dat terwijl een studie van de MIVB zelf aantoont dat 95% van de inwoners van het Brusselse gewest over een MIVB-halte beschikt binnen een straal van 250 meter (bushalte), 400 meter (tramhalte) of 500 meter (metrostation). Als de haltes van de andere Belgische vervoersmaatschappijen daar nog aan zouden worden toegevoegd, zou dit cijfer nog hoger zijn.

Bovendien wordt er gerekend met 2,55 stations per km². Met een oppervlakte van 161 km² zou Brussel dus maar 411 haltes tellen, wat uiteraard niet klopt. Het MIVB-net telt 2.312 haltes (894 haltenamen of meer dan het dubbele dan wat in de studie staat). Dat betekent dat de Greenpeace-analyse gemaakt werd op basis van het verkeerde cijfers.

“De barometer van de klantentevredenheid van de MIVB behaalt al voor het tweede jaar op rij de recordscore van 7,1/10. Terwijl 48% van ondervraagden meent dat de mobiliteit in Brussel er in het algemeen op achteruit ging in 2017, vindt de grote meerderheid (84%) dat de mobiliteit met de MIVB stabiel blijft of verbetert. Uit een grondige analyse van de Greenpeace-studie blijkt dat het bij een vergelijking tussen steden eens te meer van belang is appelen met appelen te vergelijken en peren met peren”, aldus Thomas Ryckalts, voorzitter van de raad van bestuur van de MIVB. “Zeggen dat Brussel slecht scoort op het vlak van openbaar vervoer, gaat duidelijk te kort door de bocht. De studie haalt zichzelf overigens onderuit door te stellen dat “de rangorde van een stad niet noodzakelijk betekent dat het stedelijk vervoer slecht is op een algemene schaal en dat besluitvormers niet ambitieus genoeg zouden zijn.”